Een vrije dag was heel fijn, want ik had de wetenschap dat anderen aan het zwoegen waren, terwijl ik iets heel relaxed deed.

‘Work hard, play hard’ zoals mijn neef zei, want uiteindelijk moest ook deeg uitgerust op z’n werk verschijnen. Daarom ging ik samen met Kirstin die ook vrij had genomen naar de ‘farmers market’, een grasveld dat vol stond met witte en groene marktkraampjes en een paar foodtrucks. De markt stond ook bekend als een ‘pure markt’ omdat alle ingrediënten 100% van iets gemaakt waren. Het maakte niet uit of het 100% boter was, zolang het maar puur was. Al zouden de etenswaren niet helemaal puur zijn, dan nog kwamen de verkopers ermee weg door aan te geven dat niemand er zo puur uitzag als zij. Met hun 100% rode wangen leken ze stuk voor stuk op Duitse glühwein meisjes.

Ze verkochten alles wat los en vast zat, van zelfgebakken aardappelchips tot scones, en van speciale botertjes tot aan speltbroodbaksels op een houtskooloven. Het viel me nog mee dat ze zichzelf niet verkochten. Er waren ook kippen die aan een rad van fortuin rondjes draaiden terwijl ze werden geroosterd. Het was raar wat voor onmogelijke combinaties we aten op de pure markt. Zo zou ik als lunch een halve burrito, curry en aardappelchips eten, dat werd weggespoeld met een cappuccino met sojamelk.

Er was ook altijd een kraampje dat iets onbeduidends verkocht. Waar alleen een paar blikken met folders stonden, waaruit we iets zouden moeten kunnen afleiden. Het was wel iets, maar wat dan precies was heel onduidelijk. De mensen achter het kraampje zelf wisten ook niet zo goed wat ze met hun handel aan moesten. Ze stonden erbij alsof ze brandwonden opliepen van enig contact met het winkelende publiek. Wat misschien niet erg was, want wie weet verkochten ze anti-brandnetelzalf.

De andere bezoekers van de ‘farmers market’ zaten op houten bankjes te genieten van organisch en ambachtelijk-thuis-in-de-kelder gebrouwen ‘cider’. Ze hadden de ‘cider’ gekocht van een hipster met een baard en een houthakkershemd. Ondertussen luisterden ze naar een bandje dat iets verderop speelde. De verkooptactieken op de pure markt waren wel commerciëler geworden. Zo stond er een meisje in een wit koksoverhemd met een bakje curry, en vroeg aan ons of we een curry wilden. Aangetrokken door de gratis curry zeiden we ja, om vervolgens door het meisje naar de geïmproviseerde kassa begeleid te worden om vijf pond af te rekenen voor een beetje prut in een bakje.

Om vier uur waren de meeste marktkraamhouders te moe om hun waren aan te prijzen, en lieten mensen naar hun kraampjes toekomen. Ze waren kapot van het lange staan achter hun tafels, en omdat ze waren vergeten om hun thermo-ondergoed te dragen. Vergeten of opzettelijk niet aangetrokken was een dunne lijn hier. Na verloop van tijd kwam ik de randfiguren op de markt tegen die niet zo puur waren, en zij bevonden zich in de uithoeken van de markt. Aan het ene einde van de markt stond bijvoorbeeld een hippie van in de 40 felgekleurde kleding te verkopen die het Jamaica-gevoel goed vertegenwoordigde. De mensen die hier kochten hielden ook heel erg van ‘love & peace’. In deze sfeer bevond ik me ook na mijn bezoek aan de pure markt en dat was eens een ander gevoel dan na een gewone werkdag. Met een volle tas waarin drie zakken zelfgemaakte chips, roombotertjes, jasmijnthee, honing en olijfolie zaten, liepen we misselijk van de rare eetcombinatie de metro in.

X