Ons vliegtuig werd volgeladen met kerosine, het zou niet lang duren voordat we konden boarden. Ik zat op een rijtje stoeltjes mijn boek te lezen over de filosofie achter het hardlopen van een Japanse schrijver. Af en toe keek ik op van mijn boek, om de mensen om mij heen van een afstandje te bekijken. Ik dacht dat ik Helma herkende van de foto uit de groepsreisapp van het reisbureau. Zij had kort donkerbruin haar en droeg dezelfde fleecetrui als op de foto, een grijze met een rood-wit blokkenpatroon erop. Ik ontweek haar blik want ik wilde nog geen onderdeel worden van het groepsproces wat zich waarschijnlijk de komende week zou voltrekken.

Het was schemertijd op de aankomstdag van de rondreis door zuidelijk IJsland. Nadat ik me voorstelde aan de reisbegeleider in de aankomsthal op de luchthaven in Reykjavik, schudde ik ook de handen van de medereizigers. Ik had dorst en vroeg aan een roodharige man met sproeten uit ons reisgezelschap of hij op mijn koffer wilde letten terwijl ik een flesje cola haalde. Hij heette John.

We stonden buiten bij het groene busje, waar we met achttien man naar binnen konden. Ik zorgde dat ik ergens vooraan kon zitten zodat ik de weg kon zien: ik werd snel misselijk tijdens busritten. Mijn telefoonscherm gaf aan dat het min twee graden was, maar zonder maillot en met de schurende wind, leek het wel min twaalf. Het was het type kou dat ik sinds het schaatsen op natuurijs als kind niet meer kende.

Ik staarde uit het raam van het busje, alle onbekenden waren stil. Het sneeuwde, en de sneeuw danste door de wind op de weg. Na drie kwartier rijden kwamen we aan bij een hotel waar een paardenmanege bij hoorde, en waar we twee nachten zouden verblijven. In een kring stonden we om de reisbegeleidster heen die ons de sleutels van onze kamers gaf. Eenmaal in mijn kamer, pakte ik mijn koffer deels uit en lag een halfuur op het tweepersoonsbed om uit te rusten van de reis, voordat het gezamenlijke avondeten begon. Ik verwachtte dat de eerste dagen waarin ik niemand kende ongemakkelijk zouden verlopen. Daarnaast werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt dat de relatie met mijn vriend nog geen drie weken geleden verbroken was. Andere vrienden en vriendinnen hadden al hun vrije dagen al opgemaakt zo rond half november en een vriendin wilde alleen meegaan op vakantie als ik de reis omboekte naar een warmer oord. Ik was vastbesloten om het Noorderlicht te zien, en de kou nam ik voor lief.

Het was zeven uur ’s avonds en de groep zat met de gids aan een lange tafel. Er was geen tafelindeling, ik was maar gewoon ergens aangeschoven. John zat naast me, en twee vriendinnen die samen op reis waren gegaan zaten tegenover ons. De ene vriendin was heel klein, en ze vertelde na een uur kennis gemaakt te hebben dat ze een jaar geleden een aandoening had gekregen. De andere vriendin had blond haar en een gezicht met kenmerken van een paard; een beetje langgerekt, met grote neusvleugels en een karakteristiek gebit.

‘Smaakt het?’ vroeg ze aan haar vriendin. De vriendin schudde heftig met haar kortgeknipte rode haren en zei:

‘Ja-ha zeker, het schmekt.’ Ze schudde zo hard ‘ja’ dat ze bijna de soepkom aantikte met haar neus.

‘Dat hebben ze in Duitsland niet he, kippensoep?’ zei de vriendin weer, zogenaamd grappig bedoeld.

‘Nee-hee, zeker niet’ schudde de aandoening weer, nu van links naar rechts. Daarmee was de soepkom ditmaal wel veilig.

‘Ik woon in Duitsland omdat de huizen daar goedkoper zijn’ voegde ze eraan toe.

‘Mis je je vrienden dan niet?’ vroeg ik haar.

‘Ja-ha wel, maar als ik vijfenveertig minuten rijd dan zie ik ze toch’ antwoordde ze. Ze staarde een tijdje in haar soep. Ik keek van de ene vriendin naar de ander en toen naar John. De gids was de enige waarmee ik een redelijk gesprek had kunnen voeren over IJsland, maar zij zat helemaal aan het andere uiteinde van de tafel.

‘Wat doen jullie in het dagelijks leven?’ vroeg ik mijn tafelgenoten, in een gooi om de stilte te doorbreken. Ik hoopte stiekem dat een van de twee vriendinnen zou zeggen dat ze een mimespeler was. De vrouw met het langgerekte gezicht was een administratief medewerker, wat heel breed geïnterpreteerd kon worden, aangezien iedereen overal wel eens ergens administratie heeft liggen. De roodharige was verpleegster, maar ze werkte nu parttime om te herstellen. Verder doorvragen zou alleen maar pijnlijke momenten opleveren, dus knikte ik maar bemoedigend. John zei dat hij iets deed bij de politie en wilde er verder niets over kwijt, alsof hij zijn dekmantel dan zou verliezen. We konden ook niet praten over de keuzes op het menu, want er was geen keuze. Aangezien we in het hotel-restaurant zaten als groep, was er een vast menu voor ons samengesteld, dat slechts deels rekening hield met het feit dat ik vegetariër was.

‘Doen jullie veel aan sport?’ vroeg ik de twee vriendinnen, maar hun mollige verschijningen verraadden dat ze meer naar sport op de televisie keken dan dat ze er zelf iets aan zouden doen. John werd enthousiast en vertelde dat hij bij een triatlonvereniging zat.

‘Welke sporten zijn dat ook alweer, bij een triatlon?’ vroeg het paardje.

‘Zwemmen, fietsen en hardlopen, en in die volgorde’ zei John. Ik vertelde dat ik ook aan hardlopen deed, waarop John aanvulde dat hij ook coach was van het jeugdteam bij zijn plaatselijke hardloopvereniging. De twee vriendinnen haakten op dit punt af, en om ze weer bij het gesprek te betrekken vroeg ik mijn tafelgenoten waarom ze naar IJsland waren gekomen in de vrieskou. Alle drie zeiden ze:

‘Noorderlicht.’ Niemand nam de moeite om het gesprek gaande te houden door een tegenvraag te stellen. Ik tuurde ongemakkelijk de ruimte af, terwijl we in stilte wachtten op het hoofdgerecht.

De reisleidster vroeg of iedereen op de weklijst wilde staan. Ik vroeg John wat een weklijst was. Hij lachte en legde uit dat iedereen zich kon opgeven om wakker gemaakt te worden om drie uur ’s nachts om het Noorderlicht te zien. Ik was op vakantie en wilde niet uit mijn slaap gehaald worden, maar ik wilde ook niet op een oude dame lijken. John bood aan om op mijn deur te kloppen als hij het Noorderlicht zou zien voor twaalf uur ’s nachts. Ik vond het een goed idee, zo had ik geen wekservice nodig.

Na het diner was ik alleen op mijn hotelkamer. De IJslanders compenseerden de kou van buiten overmatig door de kamers tot 23 graden te verwarmen. Ik deed mijn zware bergschoenen uit, trok mijn veel te warme trui uit en stuurde wat berichtjes naar een paar vrienden. Ik wilde vroeg slapen want het collectief had afgesproken om halfacht bij het ontbijtbuffet. Het was halfelf toen ik onder de douche stond om de vermoeiende reis van me af te spoelen. Ik was in mezelf aan het zingen toen ik schrok van geklop op mijn deur.

‘Licht! Noorderlicht! Noorderlicht!’ hoorde ik achter de deur vandaan komen. Ik wist niet of ik wat terug moest zeggen, aangezien ik dan de deur open moest doen in mijn handdoek. Als ik niets zou zeggen zou John denken dat ik hem negeerde, dus gilde ik maar:

‘Ja!’ Nogmaals werd er geklopt op mijn deur, en ditmaal schreeuwde ik luider:

‘Ga maar alvast!’ Nu voelde ik me verplicht om de kou in te gaan. Ik trok mijn kleren aan over mijn roze-wit gestreepte pyjama en wurmde mezelf in mijn grote bergschoenen. Mijn natte haar verborg ik onder de grote capuchon van mijn donkerblauwe fleecejas. Ik voegde mij bij de rest van de groep die iets verderop van het hotel naar de grijze hemel stond te kijken.

‘Jammer, volgens mij ben je net te laat’ zei de aandoening.

‘Ja, heel jammer’ beaamde het paardengebit. ‘Morgen nog een dag!’ zei de aandoening weer bemoedigend schuddend met haar hoofd, zoals alleen de aandoening dat kon.

De volgende avond waren de zenuwen van de groep voelbaar, zo spannend vond iedereen het om op zoek te gaan naar het Noorderlicht. De vriendinnen raadpleegden een Noorderlicht app onder het avondeten, en na het dessert van chocolademousse trokken ze razendsnel hun grote fleecejassen, muts en handschoenen aan.

‘Wil je ook een snoepje?’ vroeg John. Er lag een donkergrijs balletje in zijn hand.

‘Waar smaakt dat naar?’ vroeg ik hem.

‘Het is een Djupur, een IJslands dropje met een laag salmiak eromheen.’ Ik vroeg of ik een snoepje uit de zak mocht, want ik had last van smetvrees.

‘Hoe kun je nou vies zijn van mij?’ lachte hij, en hij overhandigde mij het zakje.

‘Heel apart’ zei ik over het snoepje, en zo ontweek ik zijn vraag. We stonden samen naar de sterren te staren. John had tijdelijk geen aanknopingspunten voor een gesprek, en ik was allang blij dat ik onze stilte kon continueren. De anderen stonden zo’n tien meter verderop, dichterbij het hotel waar ze meer last hadden van lichtvervuiling. Het was iets na middernacht en het had de hele dag gesneeuwd. Het sneeuwen was na het avondeten opgehouden, maar er was alweer een nieuwe sneeuwstorm aangekondigd.

Terwijl ik naar de hemel keek, bedacht ik me dat ze er in de reisbrochures nooit bij vertelden dat er een schurende wind stond in IJsland. Daarbij was ik me voorheen ook niet bewust van het fenomeen ‘sluitertijd’, waardoor ik langdurig met ontblote handen in de vrieskou stond te klooien om een foto op mijn IPhone te maken. John probeerde opnieuw een gesprek aan te knopen, door uit het niets aan te kondigen dat hij veel van motorrijden hield. Hij vertelde dat hij een keer pech had gehad in Berlijn. Hij liet mij een foto zien van zichzelf, zittend in een tram met een opgerolde joggingsbroek, waardoor een opgezwollen enkel zichtbaar was. De enkel was donkerpaars met enkele plekken lichtpaars en geel.

‘Goh mooie tram’ zei ik tegen hem. Niemand zat te wachten op een vieze enkel terwijl ik ook naar het Noorderlicht kon kijken.

De busrit van Reijkjavik naar de Blue Lagoon -een rustgevende spa- duurde langer dan ons vooraf verteld werd, waardoor ik minder tijd had in de spa dan ik had voorzien. Eenmaal aangekomen kleden de vrouwelijke reizigers zich om in een veel te kleine kleedruimte waar nog meer bezoekers waren. Daarbij was het omkleden lastig doordat ik sneeuwschoenen en drie lagen boven- en onderkleding uit moest trekken voordat ik eenmaal in een bikini stond. Ik had afgesproken met de twee vriendinnen om samen de bus terug te nemen. De groep had besloten dat ze na een uur in de spa alweer terug wilden zodat ze om zes uur konden eten. Aangezien ik het op dit punt oneens was met het collectief, was ik blij dat ik medestanders had gevonden. Ik moest alleen wel bij ze in de buurt blijven om te weten wanneer ik weg moest gaan, want ik had geen horloge om.

Ik kon staan in de spa, tot mijn middel was er water en daarboven was het ijskoud. Uit de bodem van de spa kwam zout warm water omhoog geborreld. Het was min zes buiten. De combinatie van vrieskou en de warmte die het water afgaf, creëerde een dichte mist, die het moeilijk maakte om de spa te overzien. Er lagen minstens honderd mensen in het bad. Er klonken Indiase, Spaanse en Engelse stemmen, maar dat waren ook de enige talen die ik duidelijk kon plaatsen. Ik zwom achter de twee vriendinnen aan naar de bar van de spa waar we een smoothie bestelden. De natuur vond ik mooier als ik hem in rust kon ervaren. Daarom zwom ik op een afstandje van het paard en de aandoening naar de rand van de spa om uitzicht te hebben op de bergen met sneeuw in de verte. Het was kouder in deze uithoek, en ik kwam dichtbij de natuurlijke rand waar een hekje bijstond met danger. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik nog iets dichterbij de gevarenzone zou zwemmen.

‘Hé kijk je uit’, hoorde ik in de verte. Ik draaide me om en ik zag John naar me toe komen zwemmen.

‘Jou willen we toch niet verliezen aan deze afgrond?’ zei hij tegen mij. Ik schudde nee, maar was nog half met mijn gedachten bij de besneeuwde berg.

‘Ga je vaak naar een spa?’ vroeg John. Ik antwoordde dat ik dat soms deed.

‘Ga je dan alleen?’ vroeg John weer.

‘Nee, ik ga altijd samen met iemand’ zei ik tegen John.

‘Oh oké, met je vriend zeker’ zei John, maar ik hapte niet op zijn opmerking.

‘Ik heb je hardlooptijden eens gegoogeld’ zei hij. Toen hij mijn ietwat geschrokken blik zag, voegde hij er gelijk aan toe:

‘Maak je niet druk hoor, niet op een enge manier.’ Ons leeftijdsverschil was vijftien

jaar, waardoor ik me afvroeg welke volwassen man van 46 zich vrijwillig zou interesseren in mijn hardlooptijden.

‘Je was niet snel hé, op de Gooische run in september?’ grapte hij. Hij voegde eraan toe:

‘Tja één uur en tien minuten zijn niet iets om over naar huis te schrijven.’ Ik zei dat ik rende voor mijn eigen plezier en om fit te blijven.

‘Ja, je zit strak in je velletje hoor, dat zie ik wel’ zei John, terwijl hij mij bekeek. Het water was te wit van het zout om me van top tot teen te bekijken, maar ik voelde me begluurd.

Ik kleedde me om met de twee vriendinnen en we wachtten bij de bushalte. Ineens zag ik John naar de aandoening zwaaien, en zij zwaaide terug.

‘Gelukkig heb je het gehaald met omkleden John!’ zei ze.

‘Ik hoef ook niet zoveel lagen aan te trekken als jullie’ antwoordde hij, en hij keek lachend naar mij.

Het was druk in de bus met een heel divers internationaal reisgezelschap. In de drukte verloor ik de twee vriendinnen uit het oog en ging zitten op een van de lege plekken. John bezette snel de stoel naast me. Hij begon te praten over de spa. Ik wilde niet praten want ik was nog te relaxed van de spa, en staarde uit het raam. Daarop prikte hij met een vinger op mijn arm, en hij beklaagde zich over het feit dat hij ‘intiemere contacten’ had gehad met medereizigers op vorige groepsreizen. Hij vertelde over een reis naar Latijns-Amerika waar hij een meisje van vijfentwintig die ruzie kreeg met haar vriend had bijgestaan door veel met haar op te trekken.

‘Het is belangrijk om er voor anderen op moeilijke momenten te zijn, ook al zijn het onbekenden’, zei hij er zelf over. Nadat ik doorvroeg waarom hij zichzelf zo had opgeofferd kwam er een grijns op zijn gezicht: ‘Aan het einde van de reis was de relatie verbroken en had ik een date. Het werd uiteindelijk niets want ze was nog niet over hem heen. Maar ik was toch een goede rebound.’ Perplex keek ik om me heen, maar ik zag het hoefdier en de roodharige nergens, en de rest van de bus sprak geen Nederlands. Ik forceerde een beleefde glimlach.

De gelegenheid om te rennen had ik gelijk aangegrepen toen bleek dat de doorreis tijdelijk was gestaakt wegens een opkomende sneeuwstorm. Nadat we de Golden Circle hadden bezocht en vele lavavelden, geisers en watervallen hadden gezien, waren we nu richting het ijsbergenmeer van Jökulsárlón gestrand.

Ik liep op de wegen rond het hotel, door een stuk niemandsland op een klein weggetje. Er lag sneeuw in de berm en op de bergen, maar er was nog geen teken van een storm. Als het zo koud in Nederland was geweest dan zou ik niet naar buiten zijn gegaan om te rennen, maar doordat ik mezelf had opgegeven voor de halve marathon, voelde ik de druk om dat toch te doen. Na ruim een kwartier kwamen de eerste sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen, maar gelukkig zag ik een stukje bos, waar ik tijdelijk kon schuilen. De bossen in IJsland waren klein, er stond een twintigtal bomen, maar toch was het er donker. De weg was verlaten, er was geen huis te zien, en het hotel had ik ook ver achter me gelaten.

Ik stond tegen een boom geleund in het bos toen ik ineens twee drukkende handen voelde voor mijn ogen. Het leek alsof ik licht gehijg hoorde. Ik slaakte een gil uit, maar ik kon me niet zo makkelijk loswurmen uit deze greep. Na een tijdje hoorde ik in het Nederlands een mannenstem zeggen:

‘Raad eens wie het is?’ Ik verzette me met al mijn kracht, spurtte een paar meter vooruit en draaide me om. Het was John, hij lachte vreemd.

‘Pas maar op in het bos, je weet nooit of er een enge IJslandse trol in schuilt, als je de verhalen van de gids mag geloven.’ Ik knikte een beetje beduusd van de schrik. Ik begreep de situatie niet goed. Het was waar wat John zei, we hadden inderdaad veel saga’s gehoord van de gids. Daarnaast bedoelde hij het vast gewoon plagerig. En inderdaad, ik had misschien niet zo onbezonnen in dit bos moeten gaan rennen. Toch bleef de belangrijkste vraag wat hij hier deed.

‘Ik moest je redden uit de sneeuwstorm’ antwoordde hij. Ik zei dat ik niet gered hoefde te worden, dat ik prima alleen door dit sneeuwlandschap kon rennen.

‘Oké, je hebt me door’ zei hij, en vervolgde:

‘Ik zag je naar buiten gaan op je hardloopschoenen, en ik wilde geen watje zijn, dus ik heb ook mijn gymschoenen aangetrokken.’

Ik was pissig dat ik niet alleen gelaten kon worden op deze groepsreis.

‘Je was makkelijk in te halen, je liep ook niet heel hard, zelfs niet voor een meisje’ zei hij.

‘Zullen we doen wie het eerste terug is?’ vroeg ik hem, in de hoop dat hij als een klein kind vooruit zou gaan rennen. In plaats daarvan antwoordde hij:

‘Ik gun jou de overwinning’ en hij bleef vervolgens tot het hotel dicht achter me lopen. Terug in de lobby wilde hij blijven praten, maar ik zei dat ik ging douchen om me op te warmen.

‘Mag ik niet mee?’ zei hij weer lachend. Ik zei:

‘Nee bedankt’, draaide 180 graden, en liep naar mijn kamer. Toen ik de deur van mijn kamer dichttrok, zakte ik in elkaar.

De laatste avond in Reijkjavik had ik het liefst alleen doorgebracht, maar John herinnerde me eraan dat ik niet ‘asociaal’ kon zijn.

‘Ik zag dat je niet met de groep mee was gegaan om te gaan eten gisteren. Doe je dat wel vaker, alleen eten? Het lijkt me zo ongezellig.’ Ik antwoordde dat ik me prima vermaakte en zo in contact kon komen met de locals.

‘We gaan toch wel gezellig op onze laatste avond samen eten hé?’ zei John. We stonden in de lobby van het hotel na thuiskomst van een dagexcursie en ik keek naar de twee vriendinnen, en zei:

‘Zij willen vast ook mee, hoe meer zielen, hoe meer vreugde,’ en zo had ik me op sportieve wijze aan een onwenselijke sociale avond gecommitteerd.

In dit viertal aten we samen in een food hall waar men zelf eten kon halen bij verschillende food trucks. John haalde twee wijntjes en twee cola’s en bestelde een bakje met gefrituurde vleesplakjes. Ik vond het akelig om te zien en ik zei dat ik ging kijken bij de stalletjes voor vegetarisch eten. De twee vriendinnen stonden ook op om met mij mee te gaan zoeken, en lieten John achter bij de spullen. John zei:

‘Zoek ook maar wat lekkers uit voor mij.’ Ik had een veganistisch linzenstoofpotje voor mezelf gevonden, en de vriendinnen stonden nog ergens anders in de rij. Ik kwam terug bij de tafel waar John zat en hij zei: ` ‘Zo, is dat speciaal voor mij?’ Ik antwoordde dat de twee vriendinnen nog voor hem bezig waren, en hij leek teleurgesteld. De vriendinnen kwamen uiteindelijk met een bord spareribs aanzetten, waar John zich op stortte. Nadat hij alles had opgegeten, likte hij de barbecuesaus van zijn vingers. Ik haalde voor iedereen nog iets te drinken, en daar was de tafel tevreden mee. Hierna haalden de vriendinnen bakjes met daarin één bolletje ijs. We hadden het over onze plannen na IJsland. Ik vertelde weer over mijn hardloopdoel en in een onbevangen moment zei ik:

‘Goh moeten jullie ook eens proberen, een halve marathon. Iedereen kan het, ik doe het toch ook.’ De aandoening schudde hevig met haar hoofd:

‘Nee-hee, ben je mal, daar branden wij onze handen niet aan.’ John zei daarentegen: ‘Oké ik doe mee, ik ga hem samen met jou lopen.’ Welbeschouwd had ik hem niet uitgenodigd, maar slechts een suggestie gedaan. Nu kon ik niet meer terug en zou ik John nog een keer in maart moeten zien.

‘Ik wil wel een trainingsschemaatje voor je samenstellen hoor. Of nog beter, we kunnen ook samen gaan trainen!’ zei John enthousiast. ‘Oh nou bedankt, maar je woont toch in Rotterdam dus dan moet je daarvoor helemaal naar Amsterdam komen, dat is ook zo zonde van je tijd.’ ‘Dat is een kleine moeite, dat is toch hartstikke gezellig’ zei John. Ik zei niets maar vervloekte mezelf vanbinnen dat ik geen leugentje om bestwil had kunnen verkopen, door bijvoorbeeld te verzinnen dat ik al een hardloopclubje had. Ik schraapte mijn ijsbakje leeg. Tot mijn afgrijzen haalde het paard haar agenda tevoorschijn en trok er een leeg velletje papier uit.

‘Oké, wie had wat ook alweer uitgegeven?’ vroeg ze, en ze begon met schrijven.

De nachtvlucht had erin gehakt. Ik was om vier uur ’s nachts opgestaan om rond zeven uur ’s ochtends te vliegen. Nadat ik aangekomen was op de luchthaven, ging ik gelijk naar bed, en werd om ongeveer vier uur op zondagmiddag wakker. Ik keek op mijn telefoon, waar zes berichtmeldingen op stonden, allemaal afkomstig van John. Hij schreef dat hij het jammer vond dat ik geen afscheid meer van hem had genomen. Ik antwoordde dat het allemaal erg chaotisch was verlopen op het vliegveld, hoewel ik hem in werkelijkheid had ontweken. Tijdens de lunchpauze op kantoor sprak ik met mijn bevriende collega Julie. Ik vertelde haar over John, want hij had me nu al op maandagmiddag om half één alweer allerlei berichten gestuurd. Berichten met foto’s van hemzelf op de bank met een rood-witte kat op zijn buik, een foto van een sinterklaassurprise die hij maakte voor zijn nichtje, en een foto van zijn collectie met potjes zand van verre stranden. Het potje met zwart zand uit IJsland zat er ook tussen. Ik vertelde haar dat hij me had gevraagd of ik het ook zo leuk vond, ons contact. ‘Oh ja creepy’ zei Julie en vervolgde: ‘Jammer dat jij geen zus of broer hebt om je voor dit soort types te waarschuwen. Waarom heb je hem eigenlijk je telefoonnummer gegeven?’ ‘Omdat ik zijn foto’s van het Noorderlicht wilde hebben. Die had hij mij ook gestuurd, maar ik krijg er deze bonus bij,’ verzuchtte ik. ‘Oh ongewenst! Heel ongewenst!’ zei Julie. ‘Wat moet ik nu doen?’ vroeg ik haar. ‘Gewoon negeren. Afsluiten doe je zelf’ zei ze kordaat. Ik bewonderde Julie om haar vermogen om resoluut te zijn, maar ik voelde me er schuldig onder om hem zomaar te blokkeren. Na overleg met Julie stuurde ik hem met zenuwen het bericht: ‘Ik heb geen behoefte aan contact.’ Het duurde een uur voordat ik een reeks berichten terugkreeg:

‘Hoezo wil je geen contact meer met mij? Sorry dat ik je ‘lastigval’. Dan laat ik je toch met rust.’ Het bericht dat vijf minuten daarna op mijn telefoon verscheen, stelde de vraag:

‘Maar we gaan toch nog wel samen de halve marathon lopen?’

X